De Simpele Wetten van het zadel aanpassen

Een goed ontworpen zadel gebruikt voor zijn specifiek doel en goed aangepast in relatie tot paard en ruiter draagt bij tot de vervolmaking van beide.
Daarentegen, een slecht passend zadel kan een paard zijn natuurlijke bewegingen hinderen en veroorzaakt ongemak dat zich weerspiegeld in zijn werk en zijn gedragingen.

Volgende punten moeten in overweging genomen worden bij aankoop van een nieuw zadel.

1. De boom die de constructie basis vormt van het zadel moet passen op de paardenrug. Bomen worden gemaakt in drie breedtes: smal, medium en large of bij de betere merken in cm.
Met de ruiter in het zadel zal een te wijde boom met de voorboom op de schoft drukken, een te smalle boom zal links en rechts van de schoft in zijn vlees nijpen.
Een slecht zittend zadel kan niet passend gemaakt worden door de zadelkussens aan te passen.

2. Een zadel moet volle vrijheid geven aan de schoft en aan de wervelkolom over de volledige breedte.
Met de ruiter in het zadel moet het mogelijk zijn om drie vingers te steken tussen de voorboom en de schoft van het paard en ook om het daglicht te zien door het kanaal dat gevormd wordt door de twee helften van het zadelkussen, gezien van achteraan.
Het kanaal moet wijd genoeg zijn zodat het niet drukt op de basis van de wervelkolom.
Een te nauw kanaal beperkt de bewegingen of de rug. Iedere druk op de wervelkolom verstoort de beweging. De passen kunnen korter worden en onregelmatig en de rug stijf en hol. De springbeweging wordt beperkt omdat het paard zoekt het ongemak te vermijden bij het gebruik van zijn rug.

3. Het kussen moet gelijk dragen over de volledige lengte aan iedere zijde van de wervelkolom zodat de ruiter zijn gewicht gelijk verdeeld wordt.
Een kussen dat links of rechts teveel opgevuld is of een zadel die de ruiter teveel naar voor of naar achter kantelt , haalt de ruiter uit zijn evenwicht ten opzichte van het paard, beperkt de vrije beweging van het paard en veroorzaakt gallen door de geconcentreerde druk op een kleiner oppervlak.
Scheef getrokken bomen geven ook onbalans en kunnen een oorzaak zijn van pijn.

4. Het zadel rust op de spieren links en rechts van de wervelkolom en moet liggen achter de schouderbladen. Indien het op de schouderbladen ligt zal het invloed hebben op de beweging. Dit kan zich voordoen bij springzadels die een te ver naar voren gesneden zweetblad hebben of bij paarden die een te recht schouderblad hebben om een springzadel goed te kunnen gebruiken.

5. De lengte van het zadel is correct wanneer de ruiter zijn hand op het zadel legt achter zijn achterste en zijn pink tegen zijn broek komt en de buitenrand van zijn wijsvinger gelijk is met de lepel (buitenrand van het zadel)